Kevzara 150mg Opl Inj Voorgev.spuit Glas 2x1,14ml
Op voorschrift
Geneesmiddel

Kevzara 150mg Opl Inj Voorgev.spuit Glas 2x1,14ml

  € 923,67

information-circle Terugbetaalbaar

Als je recht hebt op een terugbetaling voor dit geneesmiddel, betaal je in de apotheek een verlaagde prijs en niet de prijs die op onze webshop vermeld staat.

Terugbetalingstarief

€ 12,80 (6% inclusief btw)

Verhoogde tegemoetkoming

€ 8,50 (6% inclusief btw)

Belangrijke informatie

Voor dit geneesmiddel is een voorschrift nodig. Na beoordeling door de apotheker kan je het komen afhalen en betalen in de apotheek.

Niet beschikbaar

Neem contact op met ons via telefoon of e-mail, dan bekijken we samen de mogelijkheden.

Terugvinden herkomst Om het terugvinden van de herkomst van biologicals te verbeteren moeten de naam en het batchnummer van het toegediende product goed geregistreerd worden. Ernstige infecties Patiënten moeten nauwkeurig worden opgevolgd op het ontwikkelen van klachten en symptomen van een infectie gedurende de behandeling met sarilumab (zie rubriek 4.2 en 4.8). Aangezien een infectie bij de oudere populatie in het algemeen vaker voorkomt, is voorzichtigheid geboden bij de behandeling van oudere patiënten. Sarilumab mag niet worden toegediend bij patiënten met een actieve infectie, waaronder lokale infecties. De risico's en voordelen van behandeling dienen in overweging genomen te worden voordat met Kevzara gestart wordt bij patiënten: • met een chronische of herhaaldelijke infectie; • met een voorgeschiedenis van ernstige of opportunistische infecties; • met een hiv-infectie; • met onderliggende aandoeningen waardoor zij vatbaarder zijn voor infecties; • die zijn blootgesteld aan tuberculose; of • die leven in of reizen naar gebieden met endemische tuberculose of endemische mycose. De behandeling met sarilumab moet tijdelijk worden onderbroken als een patiënt een ernstige infectie of een opportunistische infectie ontwikkelt. Zodra de infectie onder controle is, kan de behandeling met sarilumab opnieuw worden gestart naar het oordeel van de beroepsbeoefenaar in de gezondheidszorg. Een patiënt die tijdens de behandeling een infectie ontwikkelt, dient ook onmiddellijke en volledige diagnostische onderzoeken te ondergaan passend bij een immuungecompromitteerde patiënt. Een toepasselijke antimicrobiële behandeling moet worden gestart en de patiënt moet nauwlettend worden opgevolgd. Ernstige en soms fatale infecties als gevolg van bacteriële, mycobacteriële, invasieve schimmel-, virale of andere opportunistische pathogenen zijn gemeld bij patiënten die immunosuppressiva kregen. De meest frequent waargenomen ernstige infecties bij behandeling van RA-patiënten met sarilumab waren pneumonie en cellulitis (zie rubriek 4.8). Opportunistische infecties die bij behandeling van RA met sarilumab werden gemeld, waren onder meer tuberculose, candidiasis en pneumocystose. Bij sommige patiënten met RA met gelijktijdige tuberculose werden eerder gedissemineerde dan gelokaliseerde infecties waargenomen. De meeste van deze patiënten gebruikten gelijktijdig immunosuppressiva zoals MTX of corticosteroïden, wat het risico op infectie kan verhogen. Patiënten moeten worden beoordeeld op risicofactoren voor tuberculose en worden onderzocht op een latente infectie voorafgaand aan het starten van behandeling met sarilumab. Patiënten met latente of actieve tuberculose moeten worden behandeld met standaard antimycotica voordat de behandeling gestart wordt. Anti-tuberculosebehandeling dient overwogen te worden voorafgaand aan behandeling van patiënten met een medische voorgeschiedenis van latente of actieve tuberculose bij wie een afdoende behandeling niet kan worden bevestigd, en van patiënten die negatief testen op latente tuberculose maar die wel risicofactoren hebben betreffende een tuberculose-infectie. Beroepsbeoefenaren in de gezondheidszorg worden herinnerd aan het risico op vals-negatieve resultaten van tuberculine-huidtests en interferon-gamma-TB-bloedtests, vooral bij patiënten die ernstig ziek of immuungecompromitteerd zijn. Bij het overwegen van een antituberculosebehandeling wordt raadpleging van een arts met TBC-expertise aanbevolen. Patiënten moeten nauwlettend worden opgevolgd op het ontwikkelen van klachten en symptomen van tuberculose, ook patiënten die negatief hebben getest op latente tuberculose voorafgaand aan de behandeling. Virale reactivatie is gemeld bij immunosuppressieve biologische behandelingen. Gevallen van herpes zoster zijn waargenomen tijdens klinische onderzoeken met sarilumab (zie rubriek 4.8). Er zijn geen gevallen gemeld van reactivatie van hepatitis B tijdens de klinische onderzoeken. Patiënten die risico liepen op reactivatie waren echter uit het onderzoek uitgesloten. Behandeling met sarilumab werd geassocieerd met een toename in de incidentie van een verlaagd absoluut aantal neutrofielen (ANC) (zie rubriek 4.8). Een verlaging van ANC werd niet geassocieerd met een toename in de incidentie van infecties, inclusief ernstige infecties. • Een behandeling starten met sarilumab wordt niet aanbevolen bij patiënten met een laag aantal neutrofielen, d.w.z. een ANC van minder dan 2 x 10^9/l. Bij patiënten die een ANC ontwikkelen van minder dan 0,5 x 10^9/l, wordt aanbevolen om de behandeling met sarilumab stop te zetten (zie rubriek 4.2). • Het aantal neutrofielen moet 4 tot 8 weken na de start van de behandeling en daarna volgens klinische beoordeling worden gecontroleerd. Voor aanbevolen dosisaanpassingen gebaseerd op ANC-resultaten, zie rubriek 4.2. • Uitgaande van de farmacodynamiek van de veranderingen in ANC dienen de resultaten die zijn verkregen aan het eind van het doseringsinterval te worden gebruikt als u een dosisaanpassing overweegt (zie rubriek 5.1). Behandeling met sarilumab werd in klinische onderzoeken geassocieerd met een afname van het aantal bloedplaatjes. De afname in bloedplaatjes werd niet geassocieerd met bloedingen (zie rubriek 4.8). • Een behandeling starten met sarilumab wordt niet aanbevolen bij patiënten met een aantal bloedplaatjes van minder dan 150 x 10^3/µl. Bij patiënten bij wie het aantal bloedplaatjes daalt naar minder dan 50 x 10^3/ µl, moet de behandeling met sarilumab stopgezet worden. • Het aantal bloedplaatjes moet 4 tot 8 weken na de start van de behandeling en daarna volgens klinische beoordeling worden gecontroleerd. Voor aanbevolen dosisaanpassingen gebaseerd op het aantal bloedplaatjes, zie rubriek 4.2. Behandeling met sarilumab werd geassocieerd met een toename in de incidentie van verhoogde transaminasewaarden. Deze verhogingen waren van voorbijgaande aard en resulteerden niet in klinisch aangetoond leverletsel tijdens klinische onderzoeken (zie rubriek 4.8). Toegenomen frequentie en omvang van deze verhogingen zijn waargenomen wanneer potentieel hepatotoxische geneesmiddelen (bijv. MTX) werden gebruikt in combinatie met sarilumab. Een behandeling starten met sarilumab wordt niet aanbevolen bij patiënten met verhoging van transaminase, ALAT of ASAT tot meer dan 1,5 x ULN. Als patiënten een verhoogde ALAT-waarde ontwikkelen die groter is dan 5 x ULN, moet de behandeling met sarilumab stopgezet worden (zie rubriek 4.2). De ALAT- en ASAT-waarden moeten 4 tot 8 weken na de start van de behandeling en daarna om de 3 maanden worden gecontroleerd. In het geval van klinische indicatie kunt u andere leverfunctieonderzoeken overwegen, zoals bilirubine. Voor aanbevolen dosisaanpassingen gebaseerd op verhoogde transaminasewaarden, zie rubriek 4.2. Lipidenwaarden kunnen afnemen bij patiënten met chronische ontsteking. Behandeling met sarilumab werd geassocieerd met toenames in lipidenwaarden zoals LDL-cholesterol, HDL-cholesterol en/of triglyceriden (zie rubriek 4.8). De lipidenwaarden moeten ongeveer 4 tot 8 weken na de start van de behandeling met sarilumab worden gecontroleerd, daarna ongeveer om de 6 maanden. De patiënten moeten volgens de klinische richtlijnen voor de behandeling van hyperlipidemie worden behandeld. Er zijn gevallen van gastro-intestinale perforatie en diverticulitis gemeld die geassocieerd waren met het gebruik van sarilumab. Gastro-intestinale perforatie is gemeld bij patiënten met en zonder diverticulitis. Patiënten die symptomen vertonen die mogelijk wijzen op diverticulitis, zoals buikpijn, gastro-intestinale bloeding en/of onverklaarbare verandering in de stoelgang met koorts, moeten onmiddellijk worden beoordeeld op vroege identificatie van diverticulitis die in verband kan worden gebracht met gastro-intestinale perforatie. Sarilumab dient met voorzichtigheid te worden gebruikt bij patiënten met een voorgeschiedenis van intestinale ulcera of diverticulitis (zie rubriek 4.8). Een behandeling met immunosuppressiva kan leiden tot een verhoogd risico op maligniteiten. De impact van een behandeling met sarilumab op de ontwikkeling van maligniteiten is onbekend, maar er zijn gevallen gemeld in klinische onderzoeken (zie rubriek 4.8). Er zijn overgevoeligheidsreacties gemeld, die geassocieerd waren met het gebruik van sarilumab (zie rubriek 4.8). Uitslag op de injectieplaats, huiduitslag en urticaria waren de meest voorkomende overgevoeligheidsreacties. Patiënten moeten worden geadviseerd om onmiddellijk medische hulp te zoeken wanneer zij symptomen van een overgevoeligheidsreactie ervaren. De toediening van sarilumab moet onmiddellijk worden stopgezet bij het optreden van anafylaxie of een andere overgevoeligheidsreactie (zie rubriek 4.3). Een behandeling met sarilumab wordt niet aanbevolen bij patiënten met actieve leverziekte of leverfunctiestoornis (zie rubrieken 4.2 en 4.8). Gelijktijdig gebruik van levende vaccins en levende verzwakte vaccins dient te worden vermeden tijdens de behandeling met sarilumab omdat de klinische veiligheid niet is vastgesteld. Er zijn geen gegevens beschikbaar wat betreft de secundaire transmissie van infecties door mensen die levende vaccins toegediend kregen naar patiënten die sarilumab gebruiken. Voor de start van de behandeling wordt aanbevolen dat alle patiënten geïmmuniseerd worden in lijn met de huidige richtlijnen inzake immunisatie. Het interval tussen levende vaccins en de start van de behandeling moet in overeenstemming zijn met de huidige richtlijnen voor vaccinaties met betrekking tot immunosuppressiva. Patiënten met RA lopen een verhoogd risico op cardiovasculaire ziektes en risicofactoren (bijv. hypertensie, hyperlipidemie) moeten behandeld worden als onderdeel van de standaardzorg. Dit geneesmiddel bevat 2,28 mg polysorbaat 20 per 1,14 ml oplossing voor injectie, wat gelijk is aan 2 mg/ml. Polysorbaten kunnen allergische reacties veroorzaken.

Reumatoïde artritis

Kevzara in combinatie met methotrexaat (MTX) is geïndiceerd voor de behandeling van matige tot ernstige actieve reumatoïde artritis (RA) bij volwassen patiënten die onvoldoende reageerden op of intolerant waren voor één of meerdere disease-modifying antirheumatic drugs (DMARD's). Kevzara kan worden toegediend als monotherapie in geval van intolerantie voor MTX of wanneer de behandeling met MTX niet geschikt is (zie rubriek 5.1).

Polyarticulaire juveniele idiopathische artritis

Kevzara is geïndiceerd voor de behandeling van actieve polyarticulaire juveniele idiopathische artritis (pJIA; reumafactor-positieve of -negatieve polyartritis en uitgebreide oligoarticulaire pJIA) bij patiënten van 2 jaar en ouder die onvoldoende hebben gereageerd op eerdere behandeling met conventionele synthetische DMARD's (csDMARD's). Kevzara kan worden toegediend als monotherapie of in combinatie met MTX.

  1. KWALITATIEVE EN KWANTITATIEVE SAMENSTELLING

Kevzara 175 mg/ml oplossing voor injectie

Elke injectieflacon bevat 270 mg sarilumab in 1,54 ml oplossing (175 mg/ml).

Sarilumab is een humaan monoklonaal antilichaam dat via recombinant-DNA-techniek in
ovariumcellen van Chinese hamsters wordt geproduceerd.

Voor de volledige lijst van hulpstoffen, zie rubriek 6.1.

De blootstelling aan sarilumab werd niet beïnvloed wanneer het gelijktijdig werd toegediend met MTX, op basis van farmacokinetische populatieanalyses en studievergelijkingen. Het wordt niet verwacht dat de MTX-blootstelling wordt gewijzigd door de gelijktijdige toediening met sarilumab; er zijn echter geen klinische gegevens verzameld. Sarilumab is niet onderzocht in combinatie met janus-kinase (JAK)-remmers of biologische DMARD's zoals tumornecrosefactor (TNF)-antagonisten. Verschillende in-vitro- en beperkte in-vivo-onderzoeken bij mensen hebben aangetoond dat cytokines en cytokine-remmers een invloed kunnen uitoefenen op de uiting en werking van specifieke cytochroom-P450 (CYP)-enzymen (CYP1A2, CYP2C9, CYP2C19 en CYP3A4). Daardoor kunnen deze de farmacokinetiek wijzigen van gelijktijdig toegediende geneesmiddelen die substraten van deze enzymen zijn. Verhoogde interleukine-6 (IL-6)-waarden kunnen downregulatie van de CYP-activiteit veroorzaken, zoals bij patiënten met RA of PMR, en daarmee de geneesmiddelconcentraties verhogen in vergelijking met proefpersonen zonder RA of PMR. Het blokkeren van IL-6 signalering door IL-6Rα-antagonisten zoals sarilumab, kan mogelijk het remmende effect van IL-6 omkeren en de CYP-activiteit herstellen, wat leidt tot gewijzigde geneesmiddelconcentraties. De remming van het IL-6 effect op CYP-enzymen door sarilumab kan klinisch belangrijk zijn voor CYP-substraten met een nauwe therapeutische breedte, waar de dosis individueel aangepast is. Wanneer u een behandeling met sarilumab start of stopt bij patiënten die worden behandeld met geneesmiddelen die CYP-substraten zijn, moet een therapeutische controle op het effect (bijv. warfarine) of de concentratie van het geneesmiddel (bijv. theofylline) uitgevoerd worden en zo nodig de individuele dosis van het geneesmiddel aangepast worden. Voorzichtigheid is geboden bij patiënten die een behandeling met sarilumab starten terwijl zij worden behandeld met CYP3A4-substraten (bijv. orale anticonceptiva of statines), omdat sarilumab het remmende effect van IL-6 kan omkeren en de CYP3A4-activiteit kan herstellen. Dit kan leiden tot een afname van de blootstelling en activiteit van CYP3A4-substraten (zie rubriek 5.2). De wisselwerking van sarilumab met substraten van andere CYP's (CYP2C9, CYP2C19, CYP2D6) is niet onderzocht.

  1. Mogelijke bijwerkingen

Zoals elk geneesmiddel kan ook dit geneesmiddel bijwerkingen hebben, al krijgt niet iedereen daarmee te maken.

Ernstige bijwerkingen Neem onmiddellijk contact op met uw arts als u denkt dat u een infectie heeft (komt voor bij minder dan 1 op de 10 gebruikers). De symptomen zijn o.a. koorts, zweten of rillingen.

Andere bijwerkingen Neem contact op met uw arts, apotheker of verpleegkundige als u een van de volgende bijwerkingen bemerkt:

Volwassenen Zeer vaak (komt voor bij meer dan 1 op de 10 gebruikers): • Lage aantallen witte bloedcellen, aangetoond door bloedonderzoeken

Vaak (komt voor bij minder dan 1 op de 10 gebruikers):
• infecties in uw sinussen (bijholten) of keel, een verstopte neus of een loopneus en zere keel (bovensteluchtweginfectie)
• urineweginfecties
• koortsblaasjes (orale herpes)
• laag aantal bloedplaatjes aangetoond door bloedonderzoeken
• hoog cholesterolgehalte, hoge triglyceridewaarden aangetoond door bloedonderzoeken
• afwijkende resultaten van leverfunctietests
• reacties op de injectieplaats (waaronder roodheid en jeuk)
• ontsteking van weefsel in de onderhuid
• infectie van de longen

Soms (komt voor bij minder dan 1 op de 100 gebruikers):
• diverticulitis (een darmaandoening veelal met buikpijn, misselijkheid en braken, koorts, en verstopping of, minder vaak, diarree)

Zelden (komt voor bij minder dan 1 op de 1000 gebruikers):
• perforatie van de maag of darmen (er ontstaat een gat in de darmwand)

Wanneer mag u dit middel niet gebruiken?

U bent allergisch voor een van de stoffen in dit geneesmiddel. Deze stoffen kunt u vinden in rubriek 6. U heeft een actieve ernstige infectie.

  • Gebruik Kevzara niet als u zwanger bent, tenzij uw arts dit specifiek aanbeveelt.
  • De effecten van Kevzara op een ongeboren kind zijn onbekend.
  • U en uw arts moeten samen beslissen of u Kevzara mag gebruiken terwijl u borstvoeding geeft.

4.2 Dosering en wijze van toediening De behandeling dient te worden opgestart en plaats te vinden onder toezicht van beroepsbeoefenaren in de gezondheidszorg met ervaring in de diagnose en behandeling van de aandoening waarvoor dit geneesmiddel bedoeld is (zie rubriek 4.1). Patiënten moeten de patiëntenkaart ontvangen. Dosering pJIA De aanbevolen dosering bij patiënten ouder dan 2 jaar is 4 mg/kg subcutaan om de 2 weken bij patiënten die 10 tot minder dan 30 kg wegen of 3 mg/kg subcutaan om de 2 weken bij patiënten die 30 kg of meer wegen. Sarilumab kan alleen of in combinatie met MTX worden gebruikt. Sarilumab moet worden toegediend via subcutane injectie en de dosis moet worden berekend op basis van het lichaamsgewicht (kg) van de patiënt bij elke toediening. Een verandering in de dosis mag alleen gebaseerd zijn op een consistente verandering in het lichaamsgewicht van de patiënt in de loop vann de tijd (zie tabel 1). Patiënten moeten een minimaal lichaamsgewicht van 10 kg hebben wanneer ze sarilumab krijgen. Patiënten die overstappen van 4 mg/kg naar 3 mg/kg om de 2 weken Voor patiënten die in eerste instantie de dosis van 4 mg/kg krijgen en tussen 27,5 en <39,5 kg wegen, moet het injectievolume van 0,65 ml worden gehandhaafd totdat de patiënt 39,5 kg bereikt. Bij 39,5 kg moet de patiënt overgaan op de dosis van 3 mg/kg (zie tabel 1). De dosis is gemaximeerd op 200 mg om de 2 weken voor patiënten met een gewicht van 63 kg of meer.

CNK 3593696
Organisaties Sanofi
Breedte 104 mm
Lengte 173 mm
Diepte 40 mm
Actieve ingrediënten sarilumab
Behoud Koelkast (2°C - 8°C)