Het aanmaken van een account heeft vele voordelen:
Winkelwagen
Subtotaal winkelwagen
U heeft geen product(en) in uw winkelwagen.
Talen
Terugbetaalbaar
Als je recht hebt op een terugbetaling voor dit geneesmiddel, betaal je in de apotheek een verlaagde prijs en niet de prijs die op onze webshop vermeld staat.
Terugbetalingstarief
€ 12,80 (6% inclusief btw)
Verhoogde tegemoetkoming
€ 8,50 (6% inclusief btw)
Voor dit geneesmiddel is een voorschrift nodig. Na beoordeling door de apotheker kan je het komen afhalen en betalen in de apotheek.
Neem contact op met ons via telefoon of e-mail, dan bekijken we samen de mogelijkheden.
Terugvinden herkomst Om het terugvinden van de herkomst van biologicals te verbeteren moeten de naam en het batchnummer van het toegediende product goed geregistreerd worden. Progressieve multifocale leuko-encefalopathie (PML) Het gebruik van dit geneesmiddel is in verband gebracht met een verhoogd risico op PML, een opportunistische infectie die door het JC-virus wordt veroorzaakt, die fataal kan zijn of kan resulteren in ernstige invaliditeit. Vanwege dit verhoogde risico op het ontwikkelen van PML moeten de voordelen en risico's van behandeling per patiënt door de behandelend specialist en de patiënt opnieuw worden overwogen; patiënten moeten tijdens de gehele behandeling met regelmatige tussenpozen worden gemonitord en dienen samen met hun verzorgers te worden geïnstrueerd over de vroege tekenen en symptomen van PML. Het JC-virus veroorzaakt ook JCV-granulairecelneuronopathie (GCN), die is gemeld bij patiënten behandeld met dit geneesmiddel. De symptomen van JCV-GCN lijken op de symptomen van PML (d.w.z. cerebellair syndroom). De volgende risicofactoren worden in verband gebracht met een verhoogd risico op PML: • De aanwezigheid van anti-JCV-antilichamen. • De duur van de behandeling, met name langer dan 2 jaar. Na 2 jaar moeten alle patiënten opnieuw worden geïnformeerd over het risico op PML met het geneesmiddel. • Gebruik van immunosuppressiva voorafgaand aan het ontvangen van het geneesmiddel. Patiënten met een positieve uitslag voor anti-JCV-antilichamen hebben een hoger risico op het ontwikkelen van PML dan patiënten met een negatieve uitslag voor anti-JCV-antilichamen. Patiënten met alle drie de risicofactoren voor PML (te weten een positieve uitslag voor anti-JCV-antilichamen en langer dan 2 jaar behandeld met dit geneesmiddel en eerder behandeld met een immunosuppressivum) lopen een significant groter risico op het ontwikkelen van PML. Bij anti-JCV-antilichaam-positieve patiënten die met natalizumab zijn behandeld en niet eerder immunosuppressiva hebben gebruikt, wordt de hoogte van de anti-JCV-antilichaamrespons (index) geassocieerd met de hoogte van het risico op PML. Bij anti-JCV-antilichaam-positieve patiënten wordt gesuggereerd dat dosering met verlengde intervallen van natalizumab (gemiddeld doseringsinterval van ongeveer 6 weken) in verband wordt gebracht met een klinisch en statistisch significant lager risico op PML, in vergelijking met goedgekeurde dosering. Als dosering met verlengde intervallen wordt toepast, is voorzichtigheid geboden omdat de werkzaamheid van dosering met verlengde intervallen niet is vastgesteld en de hiermee gepaard gaande risico-batenverhouding momenteel niet bekend is (zie rubriek 5.1). De afname van het risico op PML is gebaseerd op gegevens van de intraveneuze toedieningsweg. Er zijn geen klinische gegevens beschikbaar over de veiligheid of de werkzaamheid van deze dosering met verlengde intervallen en de subcutane toedieningsweg. Meer informatie kunt u vinden in de 'Informatie voor artsen en richtlijnen voor de behandeling'. Bij patiënten met een vermeend hoog risico bij deze behandeling mag de behandeling alleen worden voortgezet wanneer de voordelen opwegen tegen de nadelen. Raadpleeg voor de PML-risicoschattingen bij de verschillende subgroepen patiënten de 'Informatie voor artsen en richtlijnen voor de behandeling'. Het testen op anti-JCV-antilichamen Het testen op anti-JCV-antilichamen levert ondersteunende informatie op voor risicostratificatie van behandeling met dit geneesmiddel. Testen op anti-JCV-antilichamen in serum voorafgaand aan de start van de therapie of bij patiënten die het geneesmiddel ontvangen terwijl hun antilichamenstatus onbekend is, verdient aanbeveling. Patiënten met een negatieve anti-JCV-antilichaamtest kunnen toch nog risico lopen op PML bijvoorbeeld vanwege een nieuwe JCV-infectie, fluctuerende status van de antilichamen of een vals-negatieve uitslag. Het elke 6 maanden opnieuw testen van patiënten met een negatieve anti-JCV‑antilichaamtest verdient aanbeveling. Het verdient ook aanbeveling om patiënten met een lage index die niet eerder immunosuppressiva hebben gebruikt elke 6 maanden opnieuw te testen als ze eenmaal het punt hebben bereikt waarop ze 2 jaar zijn behandeld. De anti-JCV‑antilichaamtest (ELISA) mag niet worden gebruikt voor het diagnosticeren van PML. Het gebruik van plasmaferese/plasma-uitwisseling (PLEX) of intraveneus immunoglobuline (IVIg) kan een zinvolle interpretatie van tests op anti-JCV-antilichamen beïnvloeden. Patiënten mogen binnen twee weken na PLEX niet op anti-JCV-antilichamen worden getest vanwege de verwijdering van antilichamen uit het serum, of binnen 6 maanden na IVIg (d.w.z. 6 maanden = 5 halfwaardetijden voor immunoglobulinen). Zie de 'Informatie voor artsen en richtlijnen voor de behandeling' voor nadere informatie over het testen op anti-JCV-antilichamen. MRI screening op PML Voorafgaand aan behandeling met dit geneesmiddel moet als referentie een recente MRI (doorgaans niet ouder dan 3 maanden) beschikbaar zijn. De MRI moet ten minste jaarlijks worden herhaald. Voor patiënten met een hoger risico op PML moeten frequentere MRI's worden overwogen (bijv. om de 3 tot 6 maanden) met gebruik van een verkort protocol. Daartoe behoren: • Patiënten die alle drie de risicofactoren voor PML hebben (d.w.z. ze zijn anti-JCV-antilichaam-positief en ze zijn meer dan 2 jaar met dit geneesmiddel behandeld, en ze hebben eerder immunosuppressiva gekregen), of • Patiënten met een hoge anti-JCV-antilichaamindex die meer dan 2 jaar met dit geneesmiddel zijn behandeld en die niet eerder zijn behandeld met immunosuppressiva. Recent bewijs suggereert dat het risico op PML laag is bij een index kleiner of gelijk aan 0,9 en boven 1,5 aanzienlijk stijgt voor patiënten die langer dan 2 jaar met dit geneesmiddel zijn behandeld (zie de 'Informatie voor artsen en richtlijnen voor de behandeling' voor nadere informatie). PML moet worden overwogen als een differentiaaldiagnose bij MS-patiënten die natalizumab gebruiken en neurologische symptomen en/of nieuwe hersenlaesies op MRI vertonen. Er zijn gevallen gemeld van asymptomatische PML op basis van MRI en positief JCV-DNA in de liquor cerebrospinalis. Voor nadere informatie over het behandelen van het risico op PML bij met natalizumab behandelde patiënten moeten artsen de 'Informatie voor artsen en richtlijnen voor de behandeling' raadplegen. Wanneer PML of JCV-GCN wordt vermoed, moet de verdere toediening worden opgeschort totdat PML is uitgesloten. De behandelend specialist moet de patiënt beoordelen om vast te stellen of de symptomen kenmerkend zijn voor een neurologische disfunctie, en als dat het geval is, of deze symptomen typerend zijn voor MS of mogelijk duiden op PML of JCV-GCN. Wanneer er enige twijfel is, dient verdere beoordeling, inclusief een MRI-scan bij voorkeur met contrast (vergeleken met de MRI in de uitgangssituatie voorafgaand aan de behandeling), onderzoek van de liquor op viraal DNA van het JC-virus en herhaalde neurologische beoordelingen te worden overwogen zoals beschreven in de Informatie en behandelrichtlijnen voor de arts (zie Informatiemateriaal). Zodra de arts PML en/of JCV-GCN heeft uitgesloten (zo nodig door herhaald klinisch en/of beeldvormend onderzoek en/of laboratoriumonderzoek als de klinische verdenking blijft bestaan), kan de toediening worden hervat. De arts moet met name alert zijn op die symptomen die op PML of JCV-GCN duiden die de patiënt zelf mogelijk niet opmerkt (bijv. cognitieve, psychiatrische symptomen of cerebellair syndroom). Aan patiënten moet ook worden geadviseerd hun partner of verzorgers te informeren over hun behandeling, omdat zij symptomen kunnen opmerken waar de patiënt zich niet van bewust is. PML is gemeld na het stoppen van de behandeling met dit geneesmiddel bij patiënten die ten tijde van het stoppen geen tekenen vertoonden die duiden op PML. Patiënten en artsen dienen tot ongeveer 6 maanden na het stoppen van de behandeling met Tysabri hetzelfde monitoringprotocol te volgen en alert te blijven op eventuele nieuwe tekenen of symptomen die kunnen duiden op PML. Als een patiënt PML ontwikkelt, moet de toediening van dit geneesmiddel permanent worden gestaakt. Bij immunogecompromitteerde patiënten met PML is na reconstitutie van het immuunsysteem een verbetering waargenomen. Op basis van een retrospectieve analyse van patiënten die met natalizumab zijn behandeld sinds het is goedgekeurd, is er geen verschil waargenomen tussen patiënten die PLEX hebben ontvangen en patiënten die geen PLEX hebben ontvangen wat betreft de overleving 2 jaar na de PML-diagnose. Raadpleeg de 'informatie voor de artsen en richtlijnen voor de behandeling' voor andere overwegingen met betrekking tot het beheren van PML. PML en IRIS (Immune Reconstitution Inflammatory Syndrome) IRIS komt voor bij bijna alle PML-patiënten die zijn behandeld met dit geneesmiddel na stopzetten of verwijderen van het geneesmiddel. Verondersteld wordt dat IRIS het gevolg is van herstel van de immuunfunctie bij patiënten met PML, wat tot ernstige neurologische complicaties kan leiden en fataal kan zijn. Controle op het ontwikkelen van IRIS en de juiste behandeling voor de hiermee gepaard gaande ontsteking tijdens herstel van PML, moet plaats vinden (zie voor meer informatie de informatie voor artsen en richtlijnen voor de behandeling van patiënten). Infecties, waaronder andere opportunistische infecties Er zijn bij gebruik van dit geneesmiddel andere opportunistische infecties gemeld, voornamelijk bij patiënten met de ziekte van Crohn die immunogecompromitteerd waren of bij patiënten met significante comorbiditeit. Een verhoogd risico van andere opportunistische infecties bij het gebruik van het geneesmiddel bij patiënten zonder deze comorbiditeit kan momenteel echter niet worden uitgesloten. Er werden ook opportunistische infecties waargenomen bij patiënten die met dit geneesmiddel als monotherapie werden behandeld (zie rubriek 4.8). Deze behandeling vergroot het risico op het ontwikkelen van encefalitis en meningitis veroorzaakt door herpessimplex- en varicellazostervirussen. Ernstige, levensbedreigende en soms fatale gevallen zijn gemeld in de postmarketingervaringen bij patiënten met multipele sclerose die de behandeling krijgen (zie rubriek 4.8). Als zich herpesencefalitis of -meningitis voordoet, moet het geneesmiddel worden gestaakt en moet een geschikte behandeling voor herpesencefalitis of -meningitis worden toegepast. Acute retinale necrose (ARN) is een zeldzame, plots optredende virale infectie van het netvlies die veroorzaakt wordt door een herpesvirus (bijvoorbeeld het varicellazostervirus). ARN is waargenomen bij patiënten die dit geneesmiddel kregen toegediend en kan leiden tot blindheid. Patiënten met symptomen zoals verminderde gezichtsscherpte, roodheid en pijnlijk oog moeten worden doorverwezen voor onderzoek van het netvlies op ARN. Wanneer ARN klinisch is gediagnosticeerd, moet voor deze patiënten stopzetting van toediening van dit geneesmiddel worden overwogen. Voorschrijvers moeten zich bewust zijn van de kans dat er tijdens de therapie andere opportunistische infecties kunnen optreden en moeten deze meenemen in de differentiaaldiagnose van infecties die bij met Tysabri behandelde patiënten optreden. Als een opportunistische infectie wordt vermoed, moet de dosering worden opgeschort totdat een dergelijke infectie op basis van nader onderzoek is uitgesloten. Als een patiënt die dit geneesmiddel ontvangt een opportunistische infectie ontwikkelt, moet de toediening van het geneesmiddel permanent worden gestaakt. Informatiemateriaal Alle artsen die overwegen het geneesmiddel voor te schrijven, moeten ervoor zorgen dat zij vertrouwd zijn met de Informatie en behandelrichtlijnen voor de arts. Artsen moeten de voordelen en risico's van de natalizumab-therapie met de patiënt bespreken en een waarschuwingskaart voor patiënten meegeven. Patiënten moeten worden geïnstrueerd dat als zij een infectie ontwikkelen, zij de arts moeten informeren dat zij met dit geneesmiddel worden behandeld. Artsen moeten de patiënt informeren over het belang van een ononderbroken toediening, met name tijdens de eerste maanden van de behandeling (zie 'Overgevoeligheid'). Beroepsbeoefenaren in de gezondheidszorg die natalizumab subcutane injectie toedienen buiten een klinische omgeving, bijvoorbeeld thuis, moeten voor iedere patiënt vóór elke toediening de 'Checklist vóór toediening' doornemen. In geval van toediening door de patiënt of door een verzorger moeten zij worden geïnstrueerd vóór iedere dosis de 'Checklist vóór toediening' door te nemen. Overgevoeligheid Overgevoeligheidsreacties zijn in verband gebracht met dit geneesmiddel, inclusief, voor de intraveneuze infusie, ernstige systemische reacties (zie rubriek 4.8). Deze reacties traden meestal binnen een uur na toediening op. Het risico op overgevoeligheid was het grootst bij de eerste infusies en bij patiënten die opnieuw blootgesteld werden aan de behandeling na een initiële korte blootstelling (één of twee infusies) en na een langere periode (3 maanden of langer) zonder behandeling. Er dient echter bij iedere toediening rekening te worden gehouden met de kans op overgevoeligheidsreacties. Patiënten moeten tijdens de subcutane injecties en gedurende 1 uur erna worden geobserveerd op klachten en symptomen van reacties op de injectie, waaronder overgevoeligheid (zie rubriek 4.2 en 4.8). Er moeten middelen beschikbaar zijn voor adequate behandeling van overgevoeligheidsreacties. In geval van toediening door de patiënt of door een verzorger moet deze worden geïnformeerd over de tekenen en symptomen van overgevoeligheidsreacties. Indien een overgevoeligheidsreactie optreedt, moet patiënten en verzorgers worden geadviseerd te stoppen met de toediening en onmiddellijk medische hulp in te roepen. Bij de eerste symptomen van of aanwijzingen voor overgevoeligheid moet het gebruik van het geneesmiddel worden gestaakt en moet worden gestart met adequate behandeling. Bij patiënten die een overgevoeligheidsreactie hebben doorgemaakt, moet de behandeling met natalizumab permanent worden gestaakt. Er zijn beperkte gegevens voor de subcutane formulering bij de voor Tysabri naïeve patiëntenpopulatie (zie rubriek 5.1). Gelijktijdige behandeling met immunosuppressiva De veiligheid en werkzaamheid van dit geneesmiddel in combinatie met andere immunosuppressiva en antineoplastische therapie is niet volledig vastgesteld. Door gelijktijdig gebruik van deze middelen met dit geneesmiddel kan het infectierisico toenemen, inclusief het risico van opportunistische infecties, en een dergelijk gebruik is dan ook gecontra-indiceerd (zie rubriek 4.3). In fase 3 klinisch onderzoek bij MS met intraveneuze infusie van natalizumab werd geen verband gezien tussen een hoger percentage infecties en een gelijktijdige behandeling van een exacerbatie met een kortdurende kuur corticosteroïden. Korte kuren met corticosteroïden kunnen in combinatie met dit geneesmiddel worden gebruikt. Eerdere behandeling met immunosuppressieve of immunomodulerende therapieën Bij patiënten die eerder zijn behandeld met immunosuppressieve geneesmiddelen, is het risico op PML verhoogd. Uit gegevens afkomstig van een observationeel onderzoek is gebleken dat er geen verhoogd risico op PML is voor de groep patiënten die van fingolimod, dimethylfumaraat of teriflunomide overschakelen op natalizumab, in vergelijking met de groep patiënten die overschakelen van bèta‑interferon of glatirameeracetaat. Er zijn geen onderzoeken gedaan om de veiligheid van natalizumab te evalueren bij het overschakelen van patiënten van andere DMT's dan bèta‑interferon, glatirameeracetaat, fingolimod, dimethylfumaraat en teriflunomide. Het is niet bekend of patiënten die van andere therapieën overschakelen op natalizumab een verhoogd risico op PML hebben in vergelijking met patiënten die overschakelen van de hierboven genoemde DMT's; daarom dienen deze patiënten vaker te worden gecontroleerd (d.w.z. vergelijkbaar met patiënten die overschakelen van immunosuppressiva op natalizumab). Voorzichtigheid moet worden betracht bij patiënten die eerder immunosuppressiva hebben ontvangen zodat de immuunfunctie voldoende tijd heeft zich weer te herstellen. Artsen moeten elk individueel geval evalueren om te bepalen of er bewijzen zijn voor een immunogecompromitteerde toestand voorafgaand aan de start van de behandeling (zie rubriek 4.3). Bij het overschakelen van patiënten van een andere DMT op dit geneesmiddel moet rekening worden gehouden met de halfwaardetijd en het werkingsmechanisme van de andere therapie om een aanvullend immuuneffect te vermijden terwijl tegelijkertijd het risico op ziektereactivering tot een minimum moet worden beperkt. Voorafgaand aan het starten met de behandeling wordt een volledige bloedceltelling (CBC, inclusief lymfocyten) aanbevolen om zeker te stellen dat immuuneffecten van de vorige therapie (d.w.z. cytopenie) zijn verdwenen. Patiënten kunnen direct van bèta-interferon of glatirameeracetaat op natalizumab overschakelen mits er geen tekenen zijn van relevante behandelingsgerelateerde afwijkingen zoals neutropenie en lymfopenie. Bij het overschakelen van dimethylfumaraat dient de wash-outperiode voldoende te zijn om het lymfocytenaantal te herstellen voordat de behandeling wordt gestart. Na het stoppen met fingolimod keert het lymfocytenaantal binnen 1 tot 2 maanden na het stoppen met de therapie progressief terug naar het normale bereik. De wash-outperiode dient voldoende te zijn om het lymfocytenaantal te herstellen voordat de behandeling wordt gestart. Teriflunomide wordt langzaam uit het plasma geëlimineerd. Zonder een versnelde eliminatieprocedure kan klaring van teriflunomide uit plasma van een aantal maanden tot maximaal 2 jaar duren. Een versnelde eliminatieprocedure als gedefinieerd in de Samenvatting van de productkenmerken van teriflunomide wordt aanbevolen, of als alternatief dient de wash-outperiode niet korter te zijn dan 3,5 maanden. Voorzichtigheid met betrekking tot mogelijke gelijktijdige immuuneffecten is nodig wanneer patiënten van teriflunomide worden overgeschakeld op dit geneesmiddel. Alemtuzumab heeft zeer langdurige immunosuppressieve effecten. Daar de werkelijke duur van deze effecten niet bekend is, wordt het starten van de behandeling met dit geneesmiddel na alemtuzumab niet aanbevolen tenzij de voordelen duidelijk opwegen tegen de risico's voor de individuele patiënt. Immunogeniciteit Exacerbaties van de ziekte of injectiegerelateerde bijwerkingen kunnen wijzen op de ontwikkeling van antilichamen tegen natalizumab. In dergelijke gevallen moet de aanwezigheid van antilichamen worden onderzocht en als in een test ter bevestiging na minstens 6 weken deze uitslag positief blijft, moet de behandeling worden gestaakt, omdat er een relatie bestaat tussen persisterende antilichamen en een aanzienlijke daling van de effectiviteit van dit geneesmiddel en een toegenomen incidentie van overgevoeligheidsreacties (zie rubriek 4.8). Omdat patiënten die een initiële korte blootstelling aan dit geneesmiddel hebben ondergaan, gevolgd door een langere periode zonder behandeling, bij het hervatten van de behandeling een hoger risico lopen op het ontwikkelen van anti-natalizumab antilichamen en/of overgevoeligheid, moet de aanwezigheid van antilichamen worden onderzocht en als deze uitslag in een test ter bevestiging na minstens 6 weken positief blijft, mag de patiënt niet verder met natalizumab worden behandeld (zie rubriek 5.1). Hepatische reacties Gevallen van leverbeschadiging zijn als spontane ernstige bijwerking gemeld in de postmarketingfase (zie rubriek 4.8). Deze leverbeschadiging kan op elk moment in de behandeling optreden, zelfs na de eerste dosis. In sommige gevallen trad de reactie opnieuw op nadat de behandeling werd hervat. Sommige patiënten met abnormale leverfunctiewaarden in hun medische voorgeschiedenis hadden een exacerbatie van abnormale leverfunctiewaarden tijdens de behandeling. Patiënten moeten worden gecontroleerd zoals dat gebruikelijk is voor leverfunctiestoornissen en moeten de instructie krijgen om contact op te nemen met hun arts als zich klachten en symptomen voordoen die wijzen op leverbeschadiging, zoals geelzucht en braken. In gevallen van aanzienlijke leverbeschadiging moet de behandeling met dit geneesmiddel worden gestopt. Trombocytopenie Er is trombocytopenie, met inbegrip van immuuntrombocytopenische purpura (ITP), gemeld bij het gebruik van natalizumab. Vertraging in de diagnose en behandeling van trombocytopenie kan leiden tot ernstige en levensbedreigende gevolgen. Patiënten moeten geïnstrueerd worden om hun arts onmiddellijk op de hoogte te stellen als ze tekenen van ongebruikelijke of langdurige bloeding, petechiën of spontane blauwe plekken ervaren. Als er trombocytopenie wordt vastgesteld, dient het stopzetten van de behandeling met natalizumab te worden overwogen. Stoppen met de therapie Als wordt besloten te stoppen met de behandeling met natalizumab, moet de arts zich ervan bewust zijn dat natalizumab gedurende ongeveer 12 weken na de laatste dosis in het bloed blijft en daar farmacodynamische effecten heeft (bijv. verhoogd aantal lymfocyten). Als tijdens deze periode met een andere therapie wordt gestart, heeft dit een gelijktijdige blootstelling aan natalizumab tot gevolg. Bij geneesmiddelen als interferon en glatirameeracetaat werd gelijktijdige blootstelling tijdens deze periode in klinisch onderzoek niet in verband gebracht met veiligheidsrisico's. Er zijn geen gegevens beschikbaar over MS-patiënten betreffende de gelijktijdige blootstelling aan immunosuppressiva. Bij gebruik van deze geneesmiddelen na staken van de toediening van natalizumab kan de immunosuppressieve werking worden versterkt. Dit moet per geval zorgvuldig worden overwogen, en een wash-outperiode van natalizumab kan noodzakelijk zijn. Korte kuren met steroïden ter behandeling van relapses werden in klinisch onderzoek niet in verband gebracht met een toename van infecties. Gehalte polysorbaat 80 (E 433) Dit geneesmiddel bevat 0,4 mg polysorbaat 80 in elke voorgevulde spuit. Dit komt overeen met 0,8 mg per dosis. Polysorbaten kunnen allergische reacties veroorzaken. Natriumgehalte Dit geneesmiddel bevat minder dan 1 mmol natrium (23 mg) per dosis (300 mg natalizumab), dat wil zeggen dat het in wezen 'natriumvrij' is.
Tysabri is geïndiceerd als enkelvoudige ziektemodificerende therapie bij volwassenen met zeer actieve relapsing-remitting multipele sclerose (RRMS) in de volgende patiëntengroepen:
Patiënten met zeer actieve ziekte ondanks een volledige en adequate behandeling met ten minste één ziektemodificerende therapie (disease modifying therapy, DMT) (voor uitzonderingen en informatie over wash-outperioden, zie rubriek 4.4 en 5.1)
of Patiënten met zich snel ontwikkelende ernstige RRMS, gedefinieerd door 2 of meer
invaliderende relapses in één jaar, en met 1 of meer gadolinium aankleurende laesies op de magnetische kernspinresonantie (MRI) van de hersenen of een significante toename van de lading van T2-laesies in vergelijking met een eerdere recente MRI.
Elke ml concentraat bevat 20 mg natalizumab.
Na verdunning (zie rubriek 6.6) bevat de oplossing voor infusie ongeveer 2,6 mg per ml natalizumab.
Natalizumab is een recombinant gehumaniseerd anti-α4-integrine-antilichaam dat met behulp van recombinant-DNA-technologie in een muriene cellijn is geproduceerd.
Hulpstof met bekend effect
Elke injectieflacon bevat 2,3 mmol (52 mg) natrium (zie rubriek 4.4 voor meer informatie).
Voor de volledige lijst van hulpstoffen, zie rubriek 6.1.
4.5 Interacties met andere geneesmiddelen en andere vormen van interactie
Natalizumab is gecontra-indiceerd in combinatie met andere DMT's (zie rubriek 4.3).
Immunisaties
In een gerandomiseerd open-label-onderzoek met 60 patiënten met relapsing MS werd bij patiënten die gedurende 6 maanden met dit geneesmiddel werden behandeld, geen significant verschil waargenomen in de humorale immuunrespons op een antigeen dat een eerdere immuunrespons oproept (tetanustoxoïd) en een slechts iets langzamere en gereduceerde humorale immuunrespons op een neoantigeen (keyhole limpet haemocyanin) in vergelijking met een onbehandelde controlegroep. Levende vaccins zijn niet onderzocht.
Zoals elk geneesmiddel kan ook dit geneesmiddel bijwerkingen hebben, al krijgt niet iedereen daarmee te maken.
Neem onmiddellijk contact op met uw arts of verpleegkundige als u een van de volgende zaken opmerkt:
Tekenen van een herseninfectie Veranderingen in persoonlijkheid en gedrag, zoals verwardheid, delier of verlies van bewustzijn Aanvallen (stuipen) Hoofdpijn Misselijkheid/braken Stijve nek Extreme gevoeligheid voor fel licht Koorts Uitslag (waar dan ook op het lichaam)
Deze klachten kunnen worden veroorzaakt door een infectie van de hersenen (encefalitis of PML) of de vliezen eromheen (meningitis).
Tekenen van andere ernstige infecties Een onverklaarbare koorts Ernstige diarree Kortademigheid Langdurige duizeligheid Hoofdpijn Gewichtsverlies Lusteloosheid Verminderd gezichtsvermogen Pijn in, of roodheid van het oog (de ogen)
Tekenen van een allergische reactie Uitslag met jeuk (galbulten) Zwelling van uw gezicht, lippen of tong Moeilijkheden met ademhalen Pijn op de borst of last van de borst Stijging of daling van uw bloeddruk (uw arts of verpleegkundige merkt dit als uw bloeddruk wordt gecontroleerd).
Deze zijn het meest waarschijnlijk tijdens of kort na de injectie.
Tekenen van een mogelijk leverprobleem: Vergeling van de huid of het oogwit Ongewoon donkere urine Afwijkende leverfunctietest
Bespreek het zo spoedig mogelijk met een arts of verpleegkundige als u denkt dat u een infectie heeft. Toon de waarschuwingskaart voor patiënten en deze bijsluiter aan elke arts of verpleegkundige die bij uw behandeling betrokken is, niet alleen aan uw neuroloog.
Andere bijwerkingen Zeer vaak voorkomende bijwerkingen (komen voor bij meer dan 1 op de 10 gebruikers) Urineweginfectie Pijnlijke keel en loopneus of verstopte neus Hoofdpijn Duizeligheid Misselijkheid Gewrichtspijn Vermoeidheid Duizeligheid, misselijkheid, jeuk en rillingen tijdens of kort na het infuus
Wanneer mag u dit middel niet gebruiken? U bent allergisch voor natalizumab of een van de stoffen in dit geneesmiddel. Deze stoffen kunt
u vinden in rubriek 6.
Als bij u de diagnose PML (progressieve multifocale leuko-encefalopathie) is gesteld. PML is een zeldzame infectie van de hersenen.
Als u een ernstig probleem met uw immuunsysteem heeft. Dit kan het gevolg zijn van een ziekte (zoals HIV) of door een geneesmiddel dat u gebruikt of in het verleden heeft gebruikt (zie hieronder).
Als u geneesmiddelen gebruikt die invloed hebben op uw immuunsysteem, waaronder bepaalde andere geneesmiddelen die worden gebruikt voor het behandelen van MS. Deze geneesmiddelen kunnen niet samen met Tysabri worden gebruikt (zie 'Gebruik van Tysabri samen met andere geneesmiddelen', hieronder).
Als u een vorm van kanker heeft (tenzij het een vorm van huidkanker is die basaalcelcarcinoom wordt genoemd).
Zwangerschap en borstvoeding
Tysabri-injecties worden aan u voorgeschreven door een arts die ervaring heeft met de behandeling van MS. Als er geen tekenen van problemen zijn die zijn veroorzaakt door uw eerdere behandeling, kan uw arts u direct van een ander geneesmiddel tegen MS overschakelen op Tysabri. - Uw arts zal bloedonderzoek laten doen om na te gaan of u antilichamen tegen het JC-virus of andere problemen heeft.
Uw arts zal een MRI-scan laten maken, die tijdens de behandeling wordt herhaald.
Bij het overschakelen van sommige MS-geneesmiddelen kan uw arts u adviseren om een bepaalde tijd te wachten om ervoor te zorgen dat het eerdere geneesmiddel grotendeels uit uw lichaam is verdwenen.
Het kan zijn dat uw arts met u overlegt of u de injecties buiten het ziekenhuis of de dokterspraktijk kan krijgen, bijvoorbeeld thuis, als dat mogelijk is bij uw medische toestand. Deze injecties kunnen worden gegeven door een professionele zorgverlener, door u zelf of door een verzorger. Dit kan alleen als u aan bepaalde criteria voldoet. U moet nog wel naar de kliniek of het ziekenhuis blijven komen voor afspraken, onder andere voor regelmatige bloedonderzoeken en MRI‑scans.
Besluit uw arts dat u het geneesmiddel zelf mag toedienen (of dat uw verzorger het mag toedienen)? Een professionele zorgverlener kijkt dan toe tijdens het geven van de eerste twee doses (elke dosis bestaat uit 2 injecties).
De professionele zorgverlener geeft u of uw verzorger uitgebreide instructies en laat u zien hoe u het geneesmiddel moet klaarmaken en injecteren, voordat u of uw verzorger de eerste keer de spuiten gebruikt.
Besluit uw arts dat u of uw verzorger het geneesmiddel mag toedienen? Let er dan op dat u vóór iedere dosis de waarschuwingskaart voor patiënten leest. Daarop staat de lijst met klachten die kunnen wijzen op PML, die u moet doornemen. Ook moet u vóór iedere dosis de 'Checklist vóór toediening' doornemen. Krijgt u nieuwe klachten of worden klachten erger? Dien dan de dosis niet toe en neem onmiddellijk contact op met uw arts.
De aanbevolen dosering voor volwassenen is elke 4 weken 300 mg.
Elke dosis wordt gegeven als twee injecties onder de huid, in uw bovenbeen, buik (ten minste 6 centimeter bij de navel vandaan) of achterkant van uw arm. (De achterkant van uw arm mag alleen worden gebruikt als een professionele zorgverlener of verzorger de injectie geeft.) Dit duurt maximaal 30 minuten.
Informatie over hoe het geneesmiddel moet worden bereid en toegediend, wordt aan het einde van deze bijsluiter gegeven.
Als u stopt met het gebruik van dit middel Regelmatige toediening van dit geneesmiddel is belangrijk, met name gedurende de eerste paar maanden van de behandeling. Het is belangrijk dat u doorgaat met het geneesmiddel zolang u en uw arts van mening zijn dat u er baat bij heeft. Stop niet met het gebruik van uw geneesmiddel zonder dit eerst met uw arts te overleggen. Patiënten die één of twee doses Tysabri toegediend kregen en vervolgens een onderbreking van 3 maanden of langer in hun behandeling hadden, waren bij het herstarten van de behandeling gevoeliger voor een allergische reactie.
Controle op allergische reacties Een paar patiënten hebben een allergische reactie op dit geneesmiddel gehad. Uw arts kan controleren op allergische reacties tijdens de injecties en gedurende 1 uur daarna. Dient u dit geneesmiddel zelf toe of dient een verzorger het aan u toe, en krijgt u een allergische reactie? Stop dan met de injectie en zoek onmiddellijk medische hulp. Zie ook rubriek 4, Mogelijke bijwerkingen.
Bent u vergeten dit middel te gebruiken? Als u uw gebruikelijke dosis Tysabri heeft overgeslagen, maak dan zo snel mogelijk met uw arts een nieuwe afspraak voor toediening. U moet daarna elke 4 weken uw dosis Tysabri blijven ontvangen. Voor de volledige dosis moeten twee spuiten worden toegediend. Het is belangrijk dat allebei de spuiten worden toegediend en dat u ze volgens het voorgeschreven toedieningsschema krijgt. Dient u de injecties zelf toe of dient een verzorger ze aan u toe, en heeft u een dosis overgeslagen of maar één spuit gehad? Neem dan zo snel mogelijk contact op met uw arts voor advies.
Werkt Tysabri altijd? Bij sommige patiënten die Tysabri gebruiken, kunnen de natuurlijke verdedigingsmechanismen van het lichaam er na een tijd voor zorgen dat het geneesmiddel niet meer goed werkt (het lichaam ontwikkelt antilichamen tegen het geneesmiddel). Uw arts kan dan beslissen of het geneesmiddel bij u niet meer goed werkt door uw bloed te testen en indien nodig de behandeling te staken.
Als u nog andere vragen over het gebruik van Tysabri heeft, neem dan contact op met uw arts. Gebruik dit geneesmiddel altijd precies zoals beschreven in deze bijsluiter of zoals uw arts u dat heeft verteld. Twijfelt u over het juiste gebruik? Neem dan contact op met uw arts.
Subcutaan (onder de huid) wordt op het etiket van de spuit afgekort als SC.
| CNK | 4389680 |
|---|---|
| Organisaties | Biogen Idec |
| Breedte | 39 mm |
| Lengte | 155 mm |
| Diepte | 153 mm |
| Actieve ingrediënten | natalizumab |
| Behoud | Koelkast (2°C - 8°C) |